Jeugdherinneringen
Hoe onbevangen kan je zijn als kind. De dingen werden aanvaard zoals ze waren. Maar naarmate de tijd verstreek, begonnen mij steeds meer dingen op te vallen of ik werd er in mijn geval vanzelf mee geconfronteerd.
Op een dag, ik moet een jaar of zes zijn geweest, kwam er een jongen naar mij toe en nadat hij me een tijdje had aangestaard, zei hij plotseling; Jij bent een Chinees! Ik was helemaal verbaasd want ik had er nooit bij stilgestaan dat ik er anders uitzag dan de andere kinderen waar ik mee was opgegroeid.
Thuis aangekomen vroeg ik aan mijn moeder, waarom hij dat had gezegd en toen hoorde ik voor het eerst, dan mijn vader in Indonesië was geboren. Maar ik was geen Chinees, ik was een Indo, zo werd mij verteld. En het was, zoals het was.
In de wijk waar ik opgroeide woonde vooral gezinnen met jonge kinderen en in elke straat woonde wel een gezin, waarvan tenminste een van de ouders uit Indonesië kwam.
Er volgden nog meer vragen want waarom hadden al mijn Indische wijkgenootjes allemaal Nederlandse, Franse of Duitse achternamen, terwijl we allemaal vaders hadden die uit Indonesia kwamen? Ons gezin had geen Nederlandse achternaam.
Elke zondag bezochten we de ouders van mijn vader. Het was elke keer weer een hele gebeurtenis. De huiskamer zat vol bezoek. Tantes, ooms, nichten, neven en ook mensen die op een of andere manier familie bleken te zijn waren er, maar die we nooit eerder hadden gezien. Het huis rook naar trassi en er stonden altijd grote pannen op het vuur. In de keukenkastjes aten we soms stiekem van de gehaktballetjes die oma in een grote glazen pot bewaarde net zoals ze bij de Atjar deed; de zure groenten en de tempé, gebakken met lombok en peteh bonen. Of je emping of kroepoek wilde, werd er gevraagd als er een bord eten voor je werd opgeschept.
Wat zijn de tijden veranderd sindsdien. Er komt maar zelden bezoek bij deze oma Silooy. De weekenden zijn stil. Voor gezelschap en vertier moet ik het huis verlaten. Geen neven, nichten, broers of zussen, die langskomen. Zo nu en dan mijn dochter met mijn twee allerliefste kleinzonen. Maar iedereen heeft het heel druk. Adoe zeg, zo druk! ‘We hebben geen tijd hoor, druk, druk, druk.’
Ik leerde nog meer Maleise woorden bij een bezoek aan mijn grootouders; Adoe, Loh, kasian en selamat makan. Enkele andere uitdrukkingen deden ook vaak de ronde zoals Bau keila, idung pesseh, belanda en oepil. En we wisten al gauw hoe al het eten heette en hoe je dat moest uitspreken. Meer Maleise woorden heb ik nooit geleerd, behalve dan nog die paar ‘vieze’ woorden van mijn vader. Ja, van mijn vader.
Bij een bezoek aan mijn grootouders, riep mijn opa altijd, dat hij een Europees Soldaat was en mijn oma kookte Javaans eten dat zij met haar handen at. Mijn oma had mij ook een geheim prijsgegeven, wat ik blijkbaar aan niemand mocht vertellen. Toen zij een keer op mij moest passen, vertelde ze heimelijk dat ze eigenlijk uit Afrika kwam, mijn vader komt uit de Goudkust zei ze zachtjes. Vandaar haar kroeshaar. Haar lange haar droeg zij meestal opgestoken in een knot, maar toen zij het haar had geknipt kwamen de kleine krullen al gauw tevoorschijn.
Door de nieuwsgierige aard van mijn moeder kwam ik op latere leeftijd steeds meer te weten over de afkomst van mijn voorouders. Ik ben zelf na mijn zestigste ook diep gedoken in mijn familiegeschiedenis en afkomst en ik moet zeggen, ik begrijp nu wel waar al dat ‘Indisch zwijgen’ vandaan is gekomen. Niet alleen kwamen de voorouders van mijn oma uit Afrika, maar hadden wij ook een Molukse achternaam. Ik kwam er op 16jarige leeftijd achter door toedoen van mijn moeder, dat de familie van mijn vaderskant oorspronkelijk uit Ambon kwam en het verhaal ging nog verder terug in de tijd. We waren namelijk afstammelingen van de originele bewoners van het eiland Banda. Dat er in mijn geschiedenis ooit sprake is geweest van genocide en slavenhandel heeft mij zeer geraakt. Sommige dingen had ik liever niet willen weten en daarbij kwam ook nog dat ik in principe ook een Europese achternaam had moeten hebben, overgedragen van vader op kind, maar het verhaal wil anders.
‘Het moest allemaal niet gekker worden’.
Ondanks dat ik een ‘Hollandse’ moeder had, kregen we toch veel normen, waarden en tradities mee via onze grootouders. Een van de dingen was, dat we ons buitenshuis, altijd zo onopvallend mogelijk moesten gedragen. Terwijl bij mijn grootouders in huis alle remmen losgingen. Daar werd om grappen smakelijk en hard gelachen, maar buiten de deur behoorden we ons toch anders te gedragen. We moesten vooral gehoorzaam en stil zijn en je mening verkondigen was al helemaal uit den boze. Wat je dacht, wist en welke kwaliteiten je bezat, mocht je eigenlijk nooit met anderen delen. ‘Daar kwamen ze vanzelf wel achter mettertijd.’ ‘We deden niet aan opscheppen.’
Toen ik ouder werd bleken deze aangeleerde gedragingen juist helemaal niet zo handig te zijn. Misschien hadden mijn voorouders altijd geleerd om zich in Voormalig Nederland Indië zo te gedragen ten gunste van hun Nederlandse meerderen, maar in Nederland kwam je niet ver met eigenschappen zoals bescheidenheid.
Toen ik aan het Conservatorium voor balletdanseres studeerde zei men al gauw dat ik niet assertief genoeg was. Ik moest mezelf veel meer laten zien. Tja, hoe doe je dat, als je gewend was, om buitenshuis, onzichtbaar te blijven. Alleen onder elkaar, onder de Indo’s, durfden we onszelf te zijn en ik herinner me deze momenten samen als de mooiste tijd uit mijn jeugdjaren. Pas na mijn veertigste begon ik, de in mijn ogen koloniale gewoontes af te leren, omdat ik wel moest. Ik bereikte niets met mijn valse bescheidenheid, want van binnen was ik trots als een pauw met mijn behaalde diploma’s op hbo-niveau en ondertussen heb ik ook al 2 boeken gepubliceerd over mijn leven en levensfilosofie.
Kijkend naar mijn kinderen en kleinkinderen ben ik blij dat ik bepaalde gewoontes uit mijn opvoeding heb weten te doorbreken. Ze mogen van mij vertellen wat ze gedaan en bereikt hebben en ze mogen ook een andere mening hebben dan ik. Wij werden in onze jeugd flink afgestraft als we een andere mening hadden of zelfs een andere smaak. Mijn kinderen zijn er gelukkig vrij in geweest om hun eigen keuzes te maken. Ook over met wie ze mogen trouwen.
‘Ben maar blij, dat je niet in een Molukse wijk bent opgegroeid’, zei een achternicht, die ik had leren kennen toen ik rond de 30 was. ‘Als meisje werd je daar constant in de gaten gehouden’, vervolgde ze. Veel van mijn Molukse vrouwelijk kennissen hebben door al deze beperkingen toch een persoonlijke ontwikkeling moeten missen. Anders dan ik. En daar ben ik wel dankbaar voor. Opgegroeid als een ‘zogenaamde’ Indo, genoot ik veel meer vrijheden dan mijn Molukse familieleden. Maar de tijden zijn veranderd. Zowel in de goede als kwade zin. Ik mis de vele familiebezoeken en het gezamenlijk nuttigen van een maaltijd. De feesten, die overal in het land werden georganiseerd. Mijn ooms, die in een band zaten en IndoRock speelden.
Ik zeg wel eens, de Indo’s zijn een uitstervend ras. Nog even en dan zijn ze er allemaal niet meer. De mensen die ons verbinden met het land van onze afkomst. Toen mijn opa stierf ging er al een deel verloren en het versterkte mijn onbestemde heimwee gevoel naar een land waar ik nooit ben geweest. Als ik muziek hoor en illustraties zie uit Indonesië, doet het zeer. Als ik naar de levensgrote, handgemaakte, van rijstpapieren vliegers van mijn opa kijk met daarop vlinders geschilderd, lijkt het net of de vlinders gevangen zitten in een land, waar ze nooit hadden willen zijn. En ik, als 2e generatie kind, zal ik me hier ooit echt thuis voelen? Als ik naar mijn kleinkinderen kijk, die voelen zich echt Nederlands. Ze weten niet beter.
Er is al een hoop ten goede veranderd. Zij hoeven het gevecht niet meer aan. Niet meer zoals de mensen die zich tussen twee werelden bevinden. Maar zullen mijn kleinkinderen in de toekomst ook als echte Nederlanders behandeld worden, vraag ik me af.
De tijd zal het leren.
